fbpx

Verhalen van de Nachtwacht #7 | Een snelle schim

Ik zit graag in de leeskamer. Sinds Akoesticum ook dienst doet als Cultuurhotel is de luie stoel die er stond naar het café verplaatst. Het is een joekel van een stoel waar je nooit meer uit weg wilt als je eenmaal hebt plaatsgenomen. Zijn uiterlijk -pardon lieve stoel- wordt ruimschoots gecompenseerd door zijn comfort. Zonder na te denken zink ik weg met een boek in deze stoel. Er blijft nou eenmaal niet veel over voor een nachtwaker in deze dagen. Als ik mijn dienst begin is het café al gesloten en zijn de gasten vertrokken naar hun kamer. Zoals artistiek directeur Harold Lenselink in de nieuwbrief verwoordde; De ‘hamer’ die het virus moet platslaan, slaat ook culturele activiteiten plat. Toch proberen wij ons niet te laten ‘pletten’ en kruipen als nijvere mieren weer onder het hameroppervlak uit, om (dixit Raad van Cultuur) weerbaar en wendbaar uit de crisis te komen. Dat uit zich in kleine, maar fijne activiteiten, waarbij we proberen de nadelen in kansen om te buigen onder het motto maak van je shit een hit.

Als ik me weer heb genesteld in de stoel en het boek wordt het stil. Of komt dat door de vervoering van het verhaal dat ik lees, wie zal het zeggen? Dat onmiskenbare geluid is al even aanwezig, realiseer ik me, als ik opkijk uit mijn boek. Ik loop naar het raam hoge raam. Dat toont me een wereld vol mist. Een snelle schim flitst aan me voorbij. Een geestverschijning van een dode die hier ronddwaalt om een levende nachtwaker te kwellen? Nee, ik weet wat ik hoor, al wordt het geluid nu minder. Dit is hoefgetrappel. Ik verlaat het café en loop door de gang naar de voordeur. Onder toeziend oog van de versteende Johan Willem Friso loop ik de kazerne uit. De mist die boven het gras zweeft is zo dicht dat ik me gedesoriënteerd voel. Het helpt om naar de uitgestrekte blauwe herfsthemel te kijken.

Als een wilde vliegt een wit paard zonder zadel over de bestrating rond het grasveld. Donderende hoeven kletteren over de stenen. Het paard blijft zo hevig galopperen dat ik nauwelijks kan onderscheiden wat paard is en wat mist. Ik duw mijn lippen op elkaar en zuig lucht naar binnen in de hoop dat het dier tot bedaren komt. Het galop gaat over in draven. Langzaam loop ik naar het gras, misschien komt het eerder naar me toe als ik niet zo dicht bij de kazerne sta. Van de straatstenen verplaatst de grote schoonheid zich naar het gras. Ik kijk naar het langzaam naderende paard. Een blik in de ogen van miljoenen jaren evolutie. Ik weet dat een paard je spiegelt aan je diepste zelf. Daarom blijf ik rustig staan. Rustig ademhalen, geen onverwachte bewegingen. Ik voel me bijna vervloeien met de mist. Als het voor me staat leg ik mijn hand op de witte vacht tussen de ogen van het paard. Zo blijven we een hele tijd staan. Als een kleine, maar hechte kudde.

– De Nachtwacht

Tekst: Sebastiaan Mets
Illustratie: Marlijn van Zadelhoff

<< Lees hier Verhalen van de Nachtwacht #6 Bon Appétit